Bestrijdingsmiddelen zijn nodig om groente en fruit te vrijwaren van ongedierte en schimmel. Maar als consument willen we niet te veel van die middelen in onze voeding. Waar is de gulden middenweg? Hoe onderzoek je dat? Wanneer grijpt de NVWA in?

Wat zagen we in 2017?

Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw is aan allerlei (Europese) regels gebonden. In Nederland beoordeelt het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) of gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig zijn voor mens, dier en milieu voordat ze mogen worden verkocht.

De NVWA controleert of de middelen in de praktijk op de voorgeschreven manier gebruikt worden. Geen geringe klus, want in Nederland gaat het om ruim 2.500 verschillende middelen.

Residuen van bestrijdingsmiddelen vormen bij uitstek een onderwerp van zorg bij consumenten. Op ieder bericht daarover in de media komen veel reacties los. Via sociale media kregen we er in 2017 veel vragen over. Hoe zit het nu precies, wat kunnen we nog eten, welke normen zijn er en wanneer grijpt de NVWA in?

In 2017 was er het nodige te doen rond mogelijke restanten van pesticiden in gojibessen. Ook waren er vragen over het zogenaamde cocktaileffect: wat zijn bijvoorbeeld de risico's voor de consument bij het consumeren van aardbeien waarin meerdere bestrijdingsmiddelen worden gevonden? De wetenschap zoekt antwoorden hoe bestrijdingsmiddelen op elkaar in werken, maar dat is nog niet in wet- en regelgeving geregeld.

BuRO geeft onafhankelijk advies aan de IG van de NVWA en de ministers van LNV en VWS. In 2017 heeft BuRO 21 adviezen uitgebracht.

"Onderzoek naar effecten op gezondheid is complex"

Of residuen van bestrijdingsmiddelen mogelijk schadelijk zijn voor de gezondheid is een ingewikkelde vraag. Bij de NVWA bestudeert bureau Risicobeoordeling & onderzoek (BuRO) deze materie.

BuRO heeft als uitgangspunt dat de gezondheid van mensen niet mag worden geschaad, vertelt Dick Sijm, plaatsvervangend directeur van BuRO. Bij bestrijdingsmiddelen gelden wettelijke limieten: de maximale residulimieten, de MRL's. Voor ieder bestrijdingsmiddel is vastgesteld hoeveel ervan uiteindelijk in voedingsmiddelen mag achterblijven. De MRL geldt voor een bestrijdingsmiddel-productcombinatie, het maximale residu van een bestrijdingsmiddel in bijvoorbeeld een wortel of een appel. De MRL's worden vastgesteld op basis van 2 overwegingen: bescherming van de volksgezondheid en goed landbouwkundig gebruik. Goed landbouwkundig gebruik betekent dat bedrijven niet méér van een bestrijdingsmiddel gebruiken dan nodig is om een ziekte of een plaag goed te bestrijden.

Bij het overschrijden van de wettelijke limiet hoeft er nog geen sprake te zijn van een risico voor de volksgezondheid. Tussen wettelijke limieten en gezondheidskundige grenswaarden zit namelijk een veiligheidsmarge. Zo kan er volgens de wet sprake zijn van een MRL-overschrijding, terwijl dezelfde hoeveelheid volgens de wetenschap geen direct risico vormt voor mensen. Deze situatie kan bij consumenten tot verwarring leiden. Pas als de hoeveelheden chemische stof in bijvoorbeeld een wortel of appel boven gezondheidskundige grenswaarden komen, is er sprake van een risico voor de gezondheid van mensen.

Gezondheidskundige grenswaarden hebben betrekking op de consumptie van die wortelen of appels met bestrijdingsmiddelen en geven aan wanneer een consument risico's kan ondervinden bij overschrijding van zo'n grenswaarde:

  • de hoeveelheid die mensen hun leven lang dagelijks van een stof mogen binnenkrijgen zonder nadelig effecten te ondervinden: de ADI (Acceptable Daily Intake); 
  • de hoeveelheid die een mens in 1 portie mag binnenkrijgen zonder nadelig effecten te ondervinden: de ARfD (Acute Reference Dose).

Dick Sijm: "De ingewikkeldheid van het onderzoek schuilt erin dat de ene chemische stof al schadelijk is bij kortstondige blootstelling, terwijl de andere stof pas na jaren de gezondheid nadelig beïnvloeden. Weer andere stoffen zijn pas schadelijk voor je nageslacht, via je ei- of zaadcellen."

Experimenteel onderzoek naar effecten van bestrijdingsmiddelen op de mens gebeurt bijna niet en is aan strenge regels verbonden. Dat onderzoek gebeurt vooral bij proefdieren, veelal muizen en ratten. Om de resultaten uit proefdieronderzoek te vertalen naar mensen, hanteert BuRO zoals gebruikelijk binnen de toxicologie, ruime veiligheidsmarges. Dit is om rekening te houden met verschillen tussen proefdieren en de mens, en tussen mensen onderling in de manier waarop ze reageren op gevaarlijke stoffen. Denk aan verschillen in lichaamsgewicht en algehele gezondheid.

Het overall-beeld is dat de risico's van bestrijdingsmiddelen die de consument via voedingsmiddelen binnenkrijgt op de volksgezondheid gering zijn, zegt Dick Sijm. "Ik vind dat we het goed onder controle hebben."

Met wie werken we samen?

Het doen van experimenteel onderzoek is kostbaar en tijdrovend, daarom doet BuRO veelal literatuuronderzoek om bijvoorbeeld vragen over bestrijdingsmiddelen te beantwoorden.

Binnen Nederland werkt BuRO nauw samen met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het RIKILT (verbonden aan de Wageningse universiteit). Verder zijn 2 medewerkers van BuRO deeltijdhoogleraar, 1 bij de Universiteit van Amsterdam en 1 bij de Universiteit Maastricht, die onderzoeken uitzetten onder promovendi die ze begeleiden.

Internationaal werkt BuRO samen met de European Food Safety Authority, het Europese instituut dat onafhankelijke wetenschappelijke adviezen geeft over voedselveiligheid. Europees beleid en wetgeving op het gebied van voedselveiligheid wordt gebaseerd op hun wetenschappelijke bevindingen. Naast onderzoek op eigen initiatief, geeft EFSA wetenschappelijk advies op vragen van de Europese Commissie, het Europese Parlement en de lidstaten van de Europese Unie. BuRO is het EFSA Focal Point voor Nederland en levert expertise voor de wetenschappelijke panels en het wetenschappelijk comité van EFSA.